Het wapenschild van de Gemeente Buggenhout
Klik hier indien u snel en effectief iets wil zoeken op deze website
Ga terug naar de homepagina
Mobiliteit
Verkiezingen
Wambrechies


Buggenhout historisch

Buggenhout bestaat uit 4 entiteiten :

Buggenhout centrum, Opdorp, Opstal en Briel.

Het grondgebied van Buggenhout is 2.525 ha groot met hoofdzakelijk zandlemen alluviale grond en is tamelijk vlak gelegen: 6 m aan de Schelde tot 29 m op de Hoge Jan.
Buggenhout, een landelijke gemeente met industrie, is een woondorp en telt 14.550 inwoners.


Vage sporen uit de Romeinse en de Salische periode wijzen op een uiterst schaarse bevolking.
De oudste geschiedkundige vermelding van het bos en van de naam Buckenholt dateert uit de 12de eeuw toen de heer van Aarschot al zijn bezittingen schonk aan de abdij van Affligem bij de intrede van zijn zoon als monnik.
De naam Buckenholt komt ongetwijfeld voort van het Oudsaksisch Boka (=beuk) en HOLT (=hout, bos). Buggenhout ontleende zo zijn naam aan het groot aantal beukenbomen die er een bos vormden. Van het roemrijk bos dat in de Middeleeuwen 470 ha groot was blijft er jammer genoeg slechts 210 ha over.

De geschiedenis van Beukenbos is zeer afwisselend. Het gebied, dat samen met de omliggende gronden oorspronkelijk de heerlijkheid van Buggenhout genoemd werd, veranderde in de loop van de geschiedenis vaak van eigenaar.
Van in de vroege middeleeuwen maakte Buggenhout deel uit van het hertogdom Brabant en van de heerlijkheid van de Heren van Grimbergen.
Door onderlinge familietwisten en inmenging in conflicten door de abdij van Affligem, werden de bezittingen verbeurd verklaard. Het bos werd opgenomen in de kroondomeinen en Buggenhout viel uiteen in twee heerlijkheden.
Eén ervan behoorde van het einde van de 16de eeuw tot in 1765 aan het geslacht Bournonville uit Artois en droeg de naam Buggenhout-Bournonville (het Centrum); zo werd dit deel zelfs tot prinsdom verheven in 1658.
Het andere deel, Buggenhout-Grimbergen (Opstal en Briel) behoorde tot het feodaal bezit van de Heren van Grimbergen en maakte deel uit van Brabant.
Hoe dan ook was Buggenhout een wingewest waar de Heren nooit verbleven.
De Franse Revolutie voegde de gemeente toe aan het département de l'Escaut en zo verhuisde Buggenhout administratief naar Oost-Vlaanderen.

Sommige toponiemen in Buggenhout verwijzen naar de ontginning in de tijd door de monniken van Affligem zoals het Minne- of monnikenveld, Kruisveld, Wei- of gewijd veld.


'Opstal' betekent gemeenschappelijk weiland, verwijzend naar het middelnederlands taalgebruik voor gronden waarop niemand speciale gebruiksrechten liet gelden. Het groeide spoedig uit tot een bevolkt gebied. Ondanks de verdeling behield Grimbergen Opstal steeds voor zichzelf, evenals de Ouden Briel, een natuurlijke aanlegplaats op de Schelde en stukje Brabant.

Opdorp (in 1236 vermeld als Oppendorp = open dorp) was een vrijheid (vrije heerlijkheid) afhankelijk van het land van Bornem. Waarschijnlijk behoorde Opdorp in de Xe eeuw aan de kasteelheren van Gent, vervolgens aan de graven van Vlaanderen en in 1258 gaf Gwijde van Dampierre het aan Willem van Grimbergen van Assche om hem te belonen voor bewezen diensten.
De heerlijkheid van Marselaer (Malderen), de bakermat van het adellijk en voornaam geslacht, verwierf het leen Opdorp van de XVe eeuw tot 1722.

In 1964 werden Buggenhout en Opdorp samengevoegd tot een nieuwe entiteit die de naam Buggenhout kreeg.

 

top