Buggenhout historisch
Buggenhout bestaat uit 4 entiteiten :
Buggenhout centrum, Opdorp, Opstal en Briel.
Het grondgebied van Buggenhout is 2.525 ha groot met
hoofdzakelijk zandlemen alluviale grond en is tamelijk vlak
gelegen: 6 m aan de Schelde tot 29 m op de Hoge Jan.
Buggenhout, een landelijke gemeente met industrie, is een
woondorp en telt 13.798 inwoners.
Vage sporen uit de Romeinse en de Salische periode wijzen
op een uiterst schaarse bevolking.
De oudste geschiedkundige vermelding van het bos en van de
naam Buckenholt dateert uit de 12de eeuw toen de heer van
Aarschot al zijn bezittingen schonk aan de abdij van Affligem
bij de intrede van zijn zoon als monnik.
De naam Buckenholt komt ongetwijfeld voort van het Oudsaksisch
Boka (=beuk) en HOLT (=hout, bos). Buggenhout
ontleende zo zijn naam aan het groot aantal beukenbomen die
er een bos vormden. Van het roemrijk bos dat in de Middeleeuwen
470 ha groot was blijft er jammer genoeg slechts 171 ha over
: 151 ha is staatsbos en 20 ha is in privé-bezit.
De geschiedenis van Beukenbos is zeer afwisselend. Het gebied,
dat samen met de omliggende gronden oorspronkelijk de heerlijkheid
van Buggenhout genoemd werd, veranderde in de loop van de
geschiedenis vaak van eigenaar.
Van in de vroege middeleeuwen maakte Buggenhout deel uit van
het hertogdom Brabant en van de heerlijkheid van de Heren
van Grimbergen.
Door onderlinge familietwisten en inmenging in conflicten
door de abdij van Affligem, werden de bezittingen verbeurd
verklaard. Het bos werd opgenomen in de kroondomeinen en Buggenhout
viel uiteen in twee heerlijkheden.
Eén ervan behoorde van het einde van de 16de eeuw tot
in 1765 aan het geslacht Bournonville uit Artois en droeg
de naam Buggenhout-Bournonville (het Centrum); zo werd dit
deel zelfs tot prinsdom verheven in 1658.
Het andere deel, Buggenhout-Grimbergen (Opstal en Briel) behoorde
tot het feodaal bezit van de Heren van Grimbergen en maakte
deel uit van Brabant.
Hoe dan ook was Buggenhout een wingewest waar de Heren nooit
verbleven.
De Franse Revolutie voegde de gemeente toe aan het département
de l'Escaut en zo verhuisde Buggenhout administratief naar
Oost-Vlaanderen.
Sommige toponiemen in Buggenhout verwijzen naar de ontginning
in de tijd door de monniken van Affligem zoals het Minne-
of monnikenveld, Kruisveld, Wei- of gewijd veld.
'Opstal' betekent gemeenschappelijk
weiland, verwijzend naar het middelnederlands taalgebruik
voor gronden waarop niemand speciale gebruiksrechten liet
gelden. Het groeide spoedig uit tot een bevolkt gebied. Ondanks
de verdeling behield Grimbergen Opstal steeds voor zichzelf,
evenals de Ouden Briel, een natuurlijke
aanlegplaats op de Schelde en stukje Brabant.
Opdorp (in 1236 vermeld als Oppendorp
= open dorp) was een vrijheid (vrije heerlijkheid) afhankelijk
van het land van Bornem. Waarschijnlijk behoorde Opdorp in
de Xe eeuw aan de kasteelheren van Gent, vervolgens aan de
graven van Vlaanderen en in 1258 gaf Gwijde van Dampierre
het aan Willem van Grimbergen van Assche om hem te belonen
voor bewezen diensten.
De heerlijkheid van Marselaer (Malderen), de bakermat van
het adellijk en voornaam geslacht, verwierf het leen Opdorp
van de XVe eeuw tot 1722.
In 1964 werden Buggenhout en Opdorp samengevoegd tot een
nieuwe entiteit die de naam Buggenhout kreeg.
|